Naast dat we de komende 10 jaar lang onze 20 boeren begeleiden en volgen, volgen we ook de veranderingen op hun land. Zo willen we monitoren wat de effecten van hun maatregelen zullen zijn op de bodem en de biodiversiteit. Om te meten hoe dit verandert, hebben we afgelopen najaar een 0-meting van de bodem gedaan, waarbij we hebben gekeken naar het bodemleven (regenwormen en andere soorten) en een uitgebreide Eurofins analyse uit hebben laten voeren. Daarvan zijn nu de eerste resultaten bekend.
Waar wormen op teren
Een belangrijk eerste resultaat is dat we duidelijk zien dat er gemiddeld meer regenwormen zijn bij een hoger organisch stofgehalte. Dit is ook te verwachten, omdat regenwormen leven van organisch materiaal en dus profiteren van een bodem die rijk is aan deze voedingsbron.
Het is noodzakelijk om te benadrukken dat een hoog organisch stofgehalte niet voor elke boer vanzelfsprekend of haalbaar is. Dit hangt namelijk sterk samen met factoren die grotendeels buiten de invloed van de boer liggen, zoals grondsoort en ligging. Zo bevatten kleigronden van nature vaak meer organische stof dan zandgronden, waar organisch materiaal juist sneller wordt afgebroken. Dit is ook terug te zien in figuur 2 en 3, waar de grondsoorten (klei en zand) met elkaar vergeleken worden ten opzichte van het gemiddeld aantal regenwormen en springstaarten. Hier zie je ook dat er gemiddeld meer regenwormen en springstaarten op kleigrond te vinden zijn ten opzichte van zandgrond (klei is een grondsoort waar over het algemeen een hoog organisch stofgehalte te vinden is). Ook spelen historisch landgebruik en natuurlijke omstandigheden een rol in hoeveel organische stof een bodem kan opbouwen en vasthouden.
Dit betekent dat verschillen tussen bedrijven niet alleen iets zeggen over het beheer, maar ook over de natuurlijke uitgangssituatie van de bodem. Het is daarom belangrijk om resultaten altijd in die context te bekijken. We zullen dus niet focussen op het vergelijken van de boeren met elkaar, maar hopen wel bij alle boeren een stijgende lijn te zien de komende 10 jaar als resultaat van beter bodembeheer.


Grasland vs akker
Er zijn duidelijke verschillen per sector en het aantal regenwormen en springstaarten. Zo zien we duidelijk dat er gemiddeld meer regenwormen en springstaarten op een melkveebedrijf te vinden zijn dan op een akkerbouwbedrijf. Dit is te verklaren door het feit dat de grond van een akkerbouwer veel vaker wordt bewerkt dan bij een melkveehouder (wat vaak (blijvend) grasland is). Regenwormen zijn ontzettend gevoelig voor verstoring van de bodem, en reageren dan ook sterk op behandelingen van de bodem.

Voor deze vergelijking hebben we onze schapenhoudster en het gemengde bedrijf uit de analyse gehaald. Dit omdat zij moeilijker te vergelijken zijn met de grotere groep. Wel gaan we ze natuurlijk meenemen met vergelijkingen over de jaren heen.
Zeldzame vondst
Bij meerdere boeren zijn bijzondere soorten gevonden. Zo is er bij Paula en Rutger Engelbertink de zeldzame Watergrauwworm (Aporrectodea limicola) waargenomen. Deze soort is een indicator voor natuurlijkere graslanden, die meestal vochtig zijn maar soms ook droog. Bij intensief gebruik wordt deze (vaak) niet gezien, aldus Anne Krediet van Aquila Ecologie.
Daarnaast zijn bij Ramona Schalkwijk en Henno Hak de meest zeldzaamste soort regenworm van deze tellingen waargenomen. Namelijk de Aporrectodea cupulifera, de Zuignapgrauwworm. Deze soort is een indicator voor een relatief hoge grondwaterstand (ten opzichte van andere bedrijven).
Hoe nu verder?
De bodemkwaliteit verbeteren duurt lang. Uit onderzoek is gebleken dat dit meerdere jaren kan duren voordat veranderingen zichtbaar worden en de bodem daadwerkelijk ‘gezonder’ wordt. Om deze reden voeren we in jaar 2, 4, 6, 8 en 10 opnieuw bodemanalyses uit en aanvullende metingen naar bodembiodiversiteit. Op deze manier kunnen we dus zichtbaar maken hoe de genomen maatregelen binnen de 7-vinkjes bijdragen aan een levende en veerkrachtige bodem.